Het hobbelpaard (pre-nachtelijke tochten)

IMG_3390

Een gewone woonwijk. Voortuintjes met bakstenen paaltjes op de uiteinden. Opeens verschijnt er een poes. Rood gestreept met een belletje om zijn nek. De poes vindt mij aardig en besluit om met mij mee te lopen. Niet over de stoep. Nee, hij springt van paaltje naar paaltje. Soms best acrobatische sprongen. Het ziet er gezellig uit (en klinkt ook rammelend gezellig). Alleen ga ik me langzaam zorgen maken hoe lang dit beestje mij zal blijven volgen en of hij zijn baasjes daarna nog wel zal vinden… Maar net op dat moment kom ik bij een straathoek en dan blijkt de poes toch zijn domein te kennen en kijkt me speels na.

Bij terugkomst van mijn wandeling herhaalt het hele tafereel zich de andere kant op, en ook bij de andere straathoek, een drukke weg, weet de poes maat te houden. Wat een discipline. Zo heb ik dus opeens weer een avondpoes als vriendje. Zou hij nog terugkomen?

Een andere dag. Ik liep mijn oude vertrouwde rondje door avondlijk Den Haag en al van ver zag ik dat er weer eens een hele huisraad buiten stond, klaar om opgehaald te worden door de grofvuilwagen. Ik bekeek met aandacht alle objecten en concludeerde dat dit enkel van een heel oude man of vrouw kon zijn. Werkelijk alles had de kleuren kastanjebruin, donkerrood, beige of eikenhoutbruin. Er stond een leren fauteuil met op de zitting een soort donkerrood fluwelen kleedje. Er lagen twee opgerolde, haast verweerde tapijten met een touwtje eromheen. Er stond een stofzuiger, een emmer met daarin een opgevouwen tuinslang en tot slot een houten plank met daarop een bruin gestreept matras. Het leek haast een soort brits. Het zag er heel spartaans uit. Voor een oude man of vrouw was het waarschijnlijk voldoende. Hij/zij wist niet beter. Voor ons zou het armoe zijn. Waren dit alle objecten die de familie niet meer gewild had? Te vies, te verweerd?

Ik liep verder en zag bij de nieuwe slager staan dat ik daar (als het niet bijna nacht geweest was) een pikant Oosters kippetje kon kopen, in braadzak.

Enkele dagen later. Het stormt en in mijn oren hoor ik Sixto Rodriguez zingen over de nacht. The moon is hanging in the purple sky. Ik zie nooit een paarse lucht. Wel andere dingen. In het lantaarnlicht, naast een hoopje planken en een verzakt matras (wederom), staat opeens een hobbelpaard. Hij is van bruin pluchen materiaal, met een soort leren zitting. Zijn zwarte kraalogen glimmen in de nacht. Hoe kan je zoiets nu op straat zetten?

IMG_3034

Ik had geen camera bij me. Ik moest nog een half uur naar huis lopen, de volgende dag werken, het waaide hard en zou gaan onweren etc. Toch ging ik natuurlijk terug, met fiets en camera. Zo snel als ik kon fietste ik door de wind en zag net als vaak de vrachtwagen van Sanquin zich klaarmaken voor de nachtelijke tocht. Zou het paard er nog zijn?

IMG_3396

Toen ik aankwam was het paard omgevallen. Maar hij was er nog. Ik zette hem rechtop en zag dat er in de 40 minuten dat ik niet op deze plek geweest was nog allerlei dingen bij de stort gelegd waren: een auto-kinderzitje, een fondue-stel, een wasrek en een krabpaal met luipaardprint. Het hobbelpaard wiegde ondertussen in de wind. Zijn beige staart zwiepte heen en weer. Ik maakte foto’s, twijfelde of ik hem mee zou nemen (NEE!) en toen viel hij weer om. Hij was maar heel licht.

IMG_3041

Ik zette hem nog 1x rechtop. En ging.

Zouden de vuilnismannen het over hun hart verkregen hebben om dat hobbelpaard in de vergruizer te gooien? Nee toch? Ik beeld me in dat ze hem in hun cabine gezet hebben en dat hij nu door het land rijdt, vol vreugde.

IMG_3038

Online/offline

 

IMG_7989

Ik heb doorgaans veel momenten nodig om tot mezelf te komen, om de drukte van de dag te verwerken. Omdat ik die momenten vaak in de natuur doorbreng of al lezend, beleef ik best intense dingen, in de echte wereld of op papier. Dat zijn soms de meest wezenlijke dingen die ik meemaak in mijn leven en af en toe deel ik die online. Op Facebook zet ik mijn fotoverhalen neer, zodat mensen mee kunnen reizen. Op Goodreads schrijf ik recensies van boeken die me raken. Op Flickr plaats ik mijn natuur- en kunstfoto’s, zodat al die mooie tentoonstellingen ook gedocumenteerd zijn voor later en de dieren gedetermineerd en doorzoekbaar. Op Twitter zet ik sinds kort mijn indrukken van de Nederlandse natuur, in woord en beeld. Dit zijn dus mijn diepste gevoelens, al hebben veel andere mensen dat helemaal niet door. Wel merk ik tegenwoordig dat mensen die geen social media hebben eigenlijk een essentieel deel van mij missen. Betekent dit dat ik deels online leef?

De indrukken doe ik echter altijd offline op, in musea, in bioscoopzalen, tijdens wandelingen en in boeken en kranten. Ik ontspan dus offline, maar heb wel een behoefte om mijn belevingen te delen. Vanwaar die behoefte? Omdat het leven anders maar eenzamig is, als je niet kunt vertellen over wat je bezighoudt? Maar je kunt het toch aan jezelf vertellen? Of aan je meest naaste vrienden en familie. Maar die hebben weer een heel andere belevingswereld en delen lang niet altijd jouw vreugde. Op internet vind je gaandeweg mensen die precies geïnteresseerd zijn in dezelfde dingen als jij en waarvan je weet dat ze zich net zo zullen verheugen of verbazen. Je weet soms zelfs al welke mensen extra blij zullen zijn met bepaalde dingen. Zijn dat dan digitale vrienden? En hoe verhouden die zich tot je echte vrienden? En: wat moet je nog bespreken met vrienden die zich nauwelijks online bewegen? Ik merk in elk geval een bepaalde stroefheid de laatste tijd met mensen waarmee ik digitaal niks deel. Ik reken dat overigens mezelf aan, want ik zou dus juist extra enthousiast over dingen kunnen vertellen, maar het blijkt dan opeens teveel tegelijk te zijn, terwijl je met anderen vaak ‘inhaakt’ op dingen die je al online met elkaar deelde.

Dat inhaken was een jaar of tien terug vaak nog heel vervelend. Dan sprak je iemand en vroeg heel geïnteresseerd hoe bijvoorbeeld zijn/haar vakantie geweest was en dan kreeg je als antwoord een halve snauw: dat heb ik toch al op Facebook/Hyves gezet! Het gesprek stokte dan een beetje (want zijn foto’s hetzelfde als ervaringen?) en daarna vond je weer een modus en sprak weer verder. Tegenwoordig is de digitale wereld zo alomtegenwoordig, wordt er op tv/radio en in kranten zo vaak naar social media verwezen – wordt zelfs de politiek deels op Twitter gevoerd – dat als je dit allemaal niet volgt, je toch voelt dat dingen een beetje langs je heen gaan. Ook zijn er nu zoveel verschillende social media (ook waar ik niet op zit) dat het in gesprekken schijnbaar niet meer genegeerd kan worden, en juist handig is als je erop door kunt gaan.

Vroeger ontmoette je wel eens mensen, op vakantie bijvoorbeeld, en die gaven je dan een vodje papier met hun adresgegevens erop. Meer dan eens raakte je dit meteen of op den duur kwijt en dan was je die persoon vaak ook echt kwijt. Af en toe kwam hij dan nog even opleven in je gedachten en je probeerde je te herinneren hoe hij/zij ook alweer heette. Je probeerde je in te beelden hoe hij/zij liep en bewoog, lachte. Je voerde op het (toen net bestaande) internet wat zoektermen in, voornaam, land, soms stad, beroep. Meestal leverde dit allerlei personen op, maar niet degene die je zocht. Voorgoed verdwenen. Langzaam vervagend. Zulk soort dingen komen nu haast niet meer voor. Je ontmoet iemand en voegt hem/haar direct toe in je telefoon en op social media en vervolgens is hij/zij er voor altijd. In je hoofd komen zo een heleboel mensen samen, die allemaal de behoefte hebben om hun levens te delen. Het wordt een veelheid aan ervaringen, die je allemaal moet blijven bevatten. Gelukkig zijn onze moderne hoofden in toenemende mate flexibel. Wonderlijk eigenlijk. We bewegen mee met de digitale wereld en snelheid. En als we dit even niet willen, of kunnen, gaan we offline.

IMG_8041

Een goed gecamoufleerde sprinkhaan: de nimf van een sikkelsprinkhaan

De pampering van de samenleving

zandstorm2

De laatste jaren is er in Nederland een tendens om dingen zoveel mogelijk te verkleuteren. In de Haagse tram wordt al sinds 2011 het volgende omgeroepen:

‘Vergeet niet uit te checken met uw OV-chipkaart, wanneer u uitstapt.’

De redundantie is hier echt tergend, temeer daar dit élke drie haltes wordt omgeroepen, al acht jaar lang! Waarmee dachten ze dat mensen allemaal zouden gaan proberen uit te checken. Met hun bankpas? Met hun air-miles-kaart? En zouden er ook mensen zijn die proberen uit te checken als ze instappen? Of midden in hun rit?

Een tijdje geleden wilde ik Hockney gaan bekijken in het Van Gogh Museum. Ik reserveerde braaf een kaartje en dacht dat het daarmee gedaan was. Maar nee, enkele dagen voor mijn bezoek kreeg ik een e-mail met daarin een welkomstvideo over welke ingang ik moest nemen bij het museum, welke route ik binnen in het museum moest lopen om de garderobe te vinden, welke regels er golden etc. Alsof mensen helemaal níets meer zelf kunnen uitzoeken en álles voorgekauwd moeten krijgen.

Ook het weeralarm dat de laatste jaren steeds vaker wordt afgegeven, begint me een beetje op de zenuwen te werken. In Den Haag werd in maart de City-Pier-City-loop afgelast vanwege het ‘verwachte’ onstuimige weer. Uiteindelijk was er die hele dag niets aan de hand en veel mensen liepen alsnog in hun eentje de halve marathon (met verwoede, maar teleurgestelde blik), waar ze maanden voor getraind hadden.

Het lijkt of Nederland alleen nog maar binnen de lijntjes wil kleuren. Risico nemen of een beetje avontuur beleven is er niet meer bij. Er lijkt verondersteld te worden dat mensen niet meer zelfredzaam zijn en dat er voor hen gedacht moet worden. Laatst kwam ik bij een ander museum en nog terwijl ik buiten stond en bezig was om mijn muziek en andere dingen in mijn tas te proppen, kwam er alweer een ‘host’ naar me toe, die vroeg wat voor soort ticket ik had, zodat hij mij kon adviseren hoe ik naar binnen moest stappen. ‘Ga weg!’ wilde ik uitschreeuwen. ‘Laat me zelf naar binnen gaan.’

Vroeger ging ik met mijn vader altijd direct met de auto naar het strand als er storm voorspeld was. We lieten ons zandstralen, samen met de hond, die zijn ogen bijna totaal dicht kneep. Nu wordt iedereen geadviseerd om binnen te blijven en rijden de treinen en bussen speciale routes bij code rood en oranje. Dit zou prima zijn, als er daarna tenminste ook daadwerkelijk iets gebeurde. Maar veelal wordt de weercode (nadat alles al ontregeld is) weer ingetrokken, omdat de verwachte weersomstandigheden onverhoopt toch niet plaatsvinden.

Momenteel lees ik het boek ‘De kunst van het verliezen’ (2017) over drie generaties van een Algerijnse familie. De Franse Alice Zeniter schrijft hierin dat in de geboorteregio van haar grootvader, Kabylië, dingen doorgaans niet geteld werden, omdat dit ongeluk zou brengen. Als je dingen niet precies kunt tellen, kan je ze ook niet volledig controleren. Sommige mensen uit die streek wisten toen ze in Frankrijk kwamen niet precies wat hun leeftijd was, maar alleen in welk seizoen ze geboren waren of dat ze ‘in het jaar van de bonen’ geboren werden. Ze bezagen het leven meer cyclisch dan lineair en waren gewend te leven op het ritme van de aarde. Eenmaal in Frankrijk verbaasden ze zich er dan ook over dat iedereen zomer en winter op dezelfde tijden naar zijn werk ging en dat in de supermarkt altijd hetzelfde te krijgen was. Zo was er nooit iets om naar uit te kijken. Ik vind hier wel iets in zitten en zou ervoor pleiten om ook in Nederland de invloeden van de natuur weer wat meer toe te laten.

Met onbekende afloop

Al sinds een jaar of tien denkt mijn hoofd in het Italiaans, of ik nu wel of niet in Italië ben. Dat is soms best een rare gewaarwording, ook omdat ik mijn gedachten met anderen erbij dus eerst in het Nederlands moet vertalen. Waarom schakelt mijn hoofd niet gewoon over naar de meest handige denktaal op dat moment? Dat soort processen kan je schijnbaar niet sturen.

Als ik tegen een vlinder in het Italiaans zeg dat hij zijn vleugels moet openen (omdat ik dan een mooiere foto van hem kan maken) dan begrijpt hij me net zo makkelijk als in het Nederlands. Mijn kat is perfect tweetalig en ook de vogels hebben doorgaans geen moeite met mijn bevelen, al krijg ik soms wel een mengtaal: hoe specialistischer mijn vogelkennis wordt, hoe ontoereikender mijn Italiaans daarvoor namelijk is. Een roodborst gaat nog, maar dat een roodborsttapuit een saltimpalo is, dat moet je maar net weten. Overigens een hele goede benaming voor het vogeltje, omdat het altijd op de top van een takje (of dus een paal) gaat zitten.

Binnenkort ga ik (naar alle waarschijnlijkheid) beginnen met een nieuwe baan. In welke talen zal ik daar iedereen toespreken en toedenken?

Nog enkele observaties:

Ik zat in de tram en zag uit een ooghoek een oorwurm omhoog kruipen, in de richting van mijn buurman, aan de andere kant van het gangpad. Ik was net aan het bedenken of ik hem zou waarschuwen toen er iemand naast me kwam zitten. Ik weet niet of en hoe er uiteindelijk interactie geweest is.

oorworm

Een busje van PostNL stond stil en ernaast lag, midden op de weg, iets zwarts. Ik kwam aanlopen en zag dat het een vrij levenloze meerkoet was. Een jongen van de leeftijd om net een busje te mogen besturen stapte uit en bekeek – terwijl er allerlei auto’s om hem heen laveerden – de schade. Hierna stapte hij weer in en ging bellen. Vervolgens deed hij de deur weer open en met een grote, crêmewitte postzak pakte hij voorzichtig de vogel op. Hij legde hem in het gras bij de vijver, zodat hij in ieder geval niet platgereden zou worden. Wie had hij gebeld en wat had die persoon gezegd? Ik moest naar de tram. Het zag er lief uit, zo’n jonge jongen die zich bekommerde om een vogel, ondanks dat hij hem misschien zelf aangereden had.

Toen ik een paar uur later terugkwam, was de meerkoet weg.

Meerkoet 2

Opklinkende verhalen

IMG_7905

Een van de mooiste ontwikkelingen van de laatste tijd vind ik dat er op bijna elk groter NS-station nu een piano is gekomen. De ene staat op een wat gelukkiger plek dan de andere en die op Den Haag Centraal staat geweldig, midden in de hal. In tegenstelling tot alle drang tot meer beveiliging, geeft die piano juist weer een gevoel van vrijheid en vertrouwen. Mensen leggen hun rugzak op de piano, stellen hun bundel koffers of bagage naast zich op en beginnen zomaar ineens te spelen. Niemand die eraan denkt om die rugzak snel even weg te gappen, want opeens is een stukje levensverhaal begonnen te klinken. Mensen gooien al hun belevenissen in die kortstondige muziekstukken, en weten anderen tot staan te brengen en een groepje toehoorders te vormen. Allemaal ongedwongen.

Als je daarna wegloopt en een zo breed mogelijke omweg probeert te maken om de flikkerende diamanten lamp, die nu ook op elk groot NS-station is gekomen, voel je weer wat artistieke vrijheid kan doen met anderen. Gelukkig maar dat er nog dingen bestaan die niet hoeven te voldoen aan voorgeschreven plannen en die niet in hokjes hoeven te passen. En waarvoor je niet kunt reserveren en wat niet uitverkocht kan raken.

Mensen op doorreis laten je even stilstaan.

En stilstaan doe ik niet vaak, mijn benen blijven altijd maar in beweging. Ik woon nu lang genoeg in Den Haag om dingen in mijn buurt te zien veranderen. Een oude man, die ik ’s avonds altijd schuin als een plank in zijn leunstoel zag zitten met een halfopen mond en slapend (of al dood?), is plotsklaps verdwenen. In zijn huis wordt nieuw parket gelegd. De winkel, waar ik altijd even om moest glimlachen vanwege de wanhopige teksten op de ramen (‘Gelieve niet tegen de rolluiken van de winkel te plassen.’ ‘En ook niet onder de winkel te poepen.’), is bezig om failliet te gaan. Misschien hadden ze het anders moeten aanpakken. Slagers en kruideniers worden langzaam vervangen door Döner-supermarkten en Thaise traiteurs. Een huis wordt opgeknapt en in de kamer staan 17 open blauwe vuilniszakken met afgerukte klimop erin. Was het zo afgeleefd en verwilderd?

Een vrouw neust met haar kat door het raam heen en gaat daarna naar binnen.

Op dinsdagen zie ik vaak twee mensen napraten na een cursus, een jonge vrouw en een wat oudere man. Met hun fietsen kruislings op elkaar gericht hebben ze eindeloze gesprekken, die vaak nog niet zijn afgelopen als ik de terugweg weer aanvaard. Zouden ze elkaar in een andere setting ooit zo dicht genaderd zijn?

Rond 23u zie ik de lichten van de bloedbank uitgaan en de wagen van Sanquin wegrijden, waar ze eerst een paar keer naartoe zijn gelopen met koelboxen. Mooi om te zien hoe alles doorgaat in zo’n stad. Hoe alles geregeld is in dit land.

 

piano Den Haag Centraal

Boek of geen boek

IMG_7755 - kopie

Ik loop de tram uit en de stationstrap af. Tussen alle benen in zie ik een mysterieus wasem van zich verwijderende voeten, dat steeds langzaam opdroogt terwijl ik ernaar kijk. Het is lente, maar nog lang niet zo warm dat ik op blote voeten zou gaan lopen. Bovendien regent het niet en is er hier geen zwembad. Ik volg het spoor steeds meer omlaag en zie uiteindelijk een man met dikke, blijkbaar natte sokken aan, die op zijn rug een Hoogvliet-tas draagt. Het zou een zwerver kunnen zijn. Vanochtend vroeg heeft het geregend. Hij loopt dus al uren met natte voeten rond.

Ik ga op weg naar Groningen.

Ik schreef weer bijna een jaar niet, maar zat niet stil. Via Vluchtelingenwerk leerde ik mijn Syrische taalmaatje Ayman kennen en samen proberen we zijn Nederlands te verfijnen. Zijn vocabulaire wordt steeds groter en we kunnen steeds serieuzere gesprekken voeren. Hij stelt ook altijd kritische vragen, bijvoorbeeld waarom het in het Engels ‘4 years ago’ is, in het meervoud en in het Nederlands ‘4 jaar geleden’. Op dat soort vragen heb ik geen antwoord. Hoewel ik ondertussen geen Arabisch leer, heb ik toch nooit een gevoel van eenrichtingsverkeer. Het contact met iemand die van zo ver weg komt, is heel verrijkend. Als ik ziek ben geweest en vertel dat ik ’s avonds nog moe ben, herinnert hij zich een passage uit een Arabisch gedicht uit de tiende eeuw dat ongeveer zo gaat: ‘Koorts is als een verlegen meisje dat alleen in de nacht komt.’ Al-Mutanabbi (915-965 na Chr.) Ik herinner me zelf zelden een gedicht uit de tiende eeuw en zo komen er dus af en toe sluiers uit een rijke cultuur naar mij toe gezweefd.

IMG_7579

Na maandenlange RSI-klachten, heb ik nu gelukkig een goede balans gevonden op mijn werk. Ook dat brengt eindelijk weer wat rust in mijn hoofd om te schrijven. Ik werk halve dagen en wissel het werken op de computer af met het openen van archiefdozen, waarin allerlei schatten van brieven verborgen zitten. In een brief aan de beeldhouwer Jobs Wertheim schrijft Willem Sandberg: ‘Wat stoor je je eigenlijk aan deze zaken – je plaats in het leven wordt je toch werkelijk niet door anderen aangewezen – je werk verovert zich die plaats al of niet, nu, over tien jaar of over 50 jaar. Als je zelf meent je steentje te kunnen of te moeten bijdragen, doe het – wat doet het ertoe of die steentjes gewaardeerd worden.’ Zoiets geeft een mens wel moed.

Ondertussen transcribeer ik zestiende-eeuwse wetboeken met fragmenten over Leidse kunstambachten en in deze teksten spreken ze nog wel degelijk over 4 jaren en ook uren in het meervoud. Wanneer heeft de taal zich hierin stiekem getransformeerd?

“Wij zijn hier ongeveer op tijd”, roept de conducteur om als we mijn eindstation naderen. Gedurende de hele reis naar Groningen zat er in het tussenstukje tussen de coupé’s een vrouw met een buggy waar een kindje in sliep, met half opzij hangend hoofd en de zon precies op zijn gezicht. De vrouw las een boek. Dat kán dus.

Gorgeltje

Weer terug in Den Haag vervolg ik mijn dagelijkse waarnemingen. Bij een benzinepomp staat een vrachtwagen met het uiterlijk van een pakje Mascotte-vloeitjes. Ik stel me voor hoe hij eruit ziet tussen alle egale auto’s op de snelweg. In een Bruna in mijn wijk raakt een jongetje gebiologeerd door het boek ‘De Gorgels’ van Jochem Myjer en vraagt aan zijn moeder of hij die mag hebben. “Wat moet je met een boek?” antwoordt zij. “Je leest nooit.”

Soms begint het leven al onhandig en moet je hard knokken om er te komen. Soms eindigt het onhandig en dan heb je natte voeten. Ondertussen kan je proberen om er iets van te maken.

 

 

 

Neerslag van gedachten

IMG_3782 (2)

Het was zomer. Helemaal verdiept in mijn boek zat ik in de trein naar het zuiden des lands. Pas over een paar uur hoefde ik uit te stappen. Vanaf Den Haag HS was gaandeweg de hele coupé volgeraakt met mensen, maar met mijn muziek sloot ik me overal voor af. Zowel bruine, groene als gele maïsvelden kwamen voorbij mijn oog, met troepen kraaien erin. Het licht ging uit. Ik keek om me heen. Ik was in Breda. De trein was leeg. Er werd omgeroepen dat hij zou worden afgekoppeld. “Waar zou een afgekoppelde trein heen gaan?”, dacht ik, en maakte me voorstellingen van mij in mijn eentje in de afgekoppelde trein, die het hele land doorreed, langs allerlei mooie bossen en velden. Toen snelde ik toch maar naar buiten. Op het perron waren veel mensen. Na uren tevergeefs wachten werden we naar bussen geleid. Een meisje droeg een groen nummerbord. Waarvoor dient een groen nummerbord? Na de bussen mochten we weer een trein in. We waren inmiddels in Limburg. Een vrouw las een boek waar ‘Het herdersleven’ op stond. Een andere vrouw schreeuwde in dialect iets tegen haar man aan de telefoon: “Niet te geleuven. Van Eindhoven moesten we eroet!” De zon stond nu hoger en de maïsvelden waren lichtgroen gloeiend geworden. Roofvogels vlogen eroverheen en huizen staken nog net met hun topjes erbovenuit. Ik kwam aan in Maastricht en had het gevoel een wereldreis afgelegd te hebben.

Ik schreef lang niet. Mijn vorige blog is van bijna een jaar geleden. Soms lukt het niet om me te focussen, door onzekerheden in mijn leven. Nu, na veel veranderingen, voel ik me weer wat beter in mijn ritme. Toch kom ik de laatste tijd enkel tot het opschrijven van fragmenten en gedachten, maar dat is misschien beter dan niks.

Hoe zou het zijn om een tentoonstelling over regen en andere neerslag bij te wonen? Ik stel me een museum voor waarbij de zalen in tweeën zijn verdeeld en waarbij je ofwel onder een overkapping naar het geluid van de verschillende soorten regen, hagel en sneeuw kunt luisteren, ofwel ervoor kunt kiezen om de weersgesteldheden daadwerkelijk te ondergaan. Je voelt dan hoe de motregen je gezicht aait, hoe stortregen op je hoofd klettert, hoe de wind de sneeuw tegen je wangen striemt. Achteraf mag je je afdrogen. Het zou een soort totaalervaring zijn, met af en toe tussendoor een warme tropische neerslag om bij te komen.

Dat zijn zo van die gedachten die ik af en toe heb, maar die eigenlijk nergens aan gerelateerd zijn. Ze woelen wat rond in mijn hoofd. Om de vele gedachten in mijn hoofd ietwat tot rust te brengen, heb ik mijn avondwandelingen hervat. Op de route van mijn dagelijkse wandeling is een bejaardentehuis en aangezien daar nu eenmaal doorgaans vrij oude mensen bivakkeren, gaat er ook af en toe eentje dood. Regelmatig zie ik een ambulance op de oprit staan en laatst stond er zelfs een lijkwagen. Ik was best onder de indruk van deze ceremoniële verschijning. De lijkwagen had twee zwarte vlaggetjes op de punten van de kofferbak. Daartussen lag een donkerrood laken met twee crèmewitte rozen erop. Uit de wagen kwamen twee nette mannen in pakken, die het laken eerst nog even goed schikten en daarna het bejaardentehuis rustig binnentraden. Ik bedacht me dat je in dit land tenminste netjes begeleid werd na je dood, en dat je niet hoefde te sterven in een wanordelijke chaos, zoals die nu op veel plekken op onze wereld heerst.

Mede door het marktdenken hebben veel mensen momenteel onzekerheden in hun leven, op allerlei gebieden. Dit geeft spanningen en bederft soms de sfeer, op scholen, op de werkvloer en in de hele maatschappij. Je vraagt je af of mensen minder vriendelijk en tolerant voor elkaar zijn geworden. Toch zijn er soms ook verrassingen. Na een lezing in het noorden des lands liep ik in de stromende regen naar mijn OV-fiets. Iemand bleek mijn fiets een soort van schaak-mat gezet te hebben, door zijn ketting zo vast te maken dat ik er met geen mogelijkheid meer uit kon, alleen door vreselijk veel kracht te zetten. Vertwijfeld keek ik om me heen en zag alleen maar regen. Uit de regen doemden drie schooljongens van een jaar of 16 op. Ik vroeg of ze me misschien wilden helpen. Ze moesten eigenlijk hun bus halen, maar zagen mijn onmogelijke situatie en besloten de bus te missen en een half uur later te vertrekken. Met zijn vieren slaagden we er na een kwartier in om de fiets te bevrijden, allemaal geheel nat en geheel blij!

Zo zijn er toch altijd dingen om je over te verheugen. Op een groot containerschip bij Almere zag ik vanuit de trein kinderen schommelen op het voordek. Thuis zag ik een Afghaans uitziende vader vliegeren met zijn jonge kinderen. De vlieger was een antropomorf wezen met een lange staart, die vrolijk door de lucht zwierde. Ik zag een bestelwagen rijden waarop stond ‘Hondenschool het Kwispelcollege’. Ik beeldde me een zaal in op de universiteit, waar allemaal honden in zaten, rechtop typend op een iPad met hun kussentjes. Zo blijf ik observeren en zie een wereld van lelijkheden en vrolijkheden.

IMG_4372