Opklinkende verhalen

IMG_7905

Een van de mooiste ontwikkelingen van de laatste tijd vind ik dat er op bijna elk groter NS-station nu een piano is gekomen. De ene staat op een wat gelukkiger plek dan de andere en die op Den Haag Centraal staat geweldig, midden in de hal. In tegenstelling tot alle drang tot meer beveiliging, geeft die piano juist weer een gevoel van vrijheid en vertrouwen. Mensen leggen hun rugzak op de piano, stellen hun bundel koffers of bagage naast zich op en beginnen zomaar ineens te spelen. Niemand die eraan denkt om die rugzak snel even weg te gappen, want opeens is een stukje levensverhaal begonnen te klinken. Mensen gooien al hun belevenissen in die kortstondige muziekstukken, en weten anderen tot staan te brengen en een groepje toehoorders te vormen. Allemaal ongedwongen.

Als je daarna wegloopt en een zo breed mogelijke omweg probeert te maken om de flikkerende diamanten lamp, die nu ook op elk groot NS-station is gekomen, voel je weer wat artistieke vrijheid kan doen met anderen. Gelukkig maar dat er nog dingen bestaan die niet hoeven te voldoen aan voorgeschreven plannen en die niet in hokjes hoeven te passen. En waarvoor je niet kunt reserveren en wat niet uitverkocht kan raken.

Mensen op doorreis laten je even stilstaan.

En stilstaan doe ik niet vaak, mijn benen blijven altijd maar in beweging. Ik woon nu lang genoeg in Den Haag om dingen in mijn buurt te zien veranderen. Een oude man, die ik ’s avonds altijd schuin als een plank in zijn leunstoel zag zitten met een halfopen mond en slapend (of al dood?), is plotsklaps verdwenen. In zijn huis wordt nieuw parket gelegd. De winkel, waar ik altijd even om moest glimlachen vanwege de wanhopige teksten op de ramen (‘Gelieve niet tegen de rolluiken van de winkel te plassen.’ ‘En ook niet onder de winkel te poepen.’), is bezig om failliet te gaan. Misschien hadden ze het anders moeten aanpakken. Slagers en kruideniers worden langzaam vervangen door Döner-supermarkten en Thaise traiteurs. Een huis wordt opgeknapt en in de kamer staan 17 open blauwe vuilniszakken met afgerukte klimop erin. Was het zo afgeleefd en verwilderd?

Een vrouw neust met haar kat door het raam heen en gaat daarna naar binnen.

Op dinsdagen zie ik vaak twee mensen napraten na een cursus, een jonge vrouw en een wat oudere man. Met hun fietsen kruislings op elkaar gericht hebben ze eindeloze gesprekken, die vaak nog niet zijn afgelopen als ik de terugweg weer aanvaard. Zouden ze elkaar in een andere setting ooit zo dicht genaderd zijn?

Rond 23u zie ik de lichten van de bloedbank uitgaan en de wagen van Sanquin wegrijden, waar ze eerst een paar keer naartoe zijn gelopen met koelboxen. Mooi om te zien hoe alles doorgaat in zo’n stad. Hoe alles geregeld is in dit land.

 

piano Den Haag Centraal

Advertenties

Boek of geen boek

IMG_7755 - kopie

Ik loop de tram uit en de stationstrap af. Tussen alle benen in zie ik een mysterieus wasem van zich verwijderende voeten, dat steeds langzaam opdroogt terwijl ik ernaar kijk. Het is lente, maar nog lang niet zo warm dat ik op blote voeten zou gaan lopen. Bovendien regent het niet en is er hier geen zwembad. Ik volg het spoor steeds meer omlaag en zie uiteindelijk een man met dikke, blijkbaar natte sokken aan, die op zijn rug een Hoogvliet-tas draagt. Het zou een zwerver kunnen zijn. Vanochtend vroeg heeft het geregend. Hij loopt dus al uren met natte voeten rond.

Ik ga op weg naar Groningen.

Ik schreef weer bijna een jaar niet, maar zat niet stil. Via Vluchtelingenwerk leerde ik mijn Syrische taalmaatje Ayman kennen en samen proberen we zijn Nederlands te verfijnen. Zijn vocabulaire wordt steeds groter en we kunnen steeds serieuzere gesprekken voeren. Hij stelt ook altijd kritische vragen, bijvoorbeeld waarom het in het Engels ‘4 years ago’ is, in het meervoud en in het Nederlands ‘4 jaar geleden’. Op dat soort vragen heb ik geen antwoord. Hoewel ik ondertussen geen Arabisch leer, heb ik toch nooit een gevoel van eenrichtingsverkeer. Het contact met iemand die van zo ver weg komt, is heel verrijkend. Als ik ziek ben geweest en vertel dat ik ’s avonds nog moe ben, herinnert hij zich een passage uit een Arabisch gedicht uit de tiende eeuw dat ongeveer zo gaat: ‘Koorts is als een verlegen meisje dat alleen in de nacht komt.’ Al-Mutanabbi (915-965 na Chr.) Ik herinner me zelf zelden een gedicht uit de tiende eeuw en zo komen er dus af en toe sluiers uit een rijke cultuur naar mij toe gezweefd.

IMG_7579

Na maandenlange RSI-klachten, heb ik nu gelukkig een goede balans gevonden op mijn werk. Ook dat brengt eindelijk weer wat rust in mijn hoofd om te schrijven. Ik werk halve dagen en wissel het werken op de computer af met het openen van archiefdozen, waarin allerlei schatten van brieven verborgen zitten. In een brief aan de beeldhouwer Jobs Wertheim schrijft Willem Sandberg: ‘Wat stoor je je eigenlijk aan deze zaken – je plaats in het leven wordt je toch werkelijk niet door anderen aangewezen – je werk verovert zich die plaats al of niet, nu, over tien jaar of over 50 jaar. Als je zelf meent je steentje te kunnen of te moeten bijdragen, doe het – wat doet het ertoe of die steentjes gewaardeerd worden.’ Zoiets geeft een mens wel moed.

Ondertussen transcribeer ik zestiende-eeuwse wetboeken met fragmenten over Leidse kunstambachten en in deze teksten spreken ze nog wel degelijk over 4 jaren en ook uren in het meervoud. Wanneer heeft de taal zich hierin stiekem getransformeerd?

“Wij zijn hier ongeveer op tijd”, roept de conducteur om als we mijn eindstation naderen. Gedurende de hele reis naar Groningen zat er in het tussenstukje tussen de coupé’s een vrouw met een buggy waar een kindje in sliep, met half opzij hangend hoofd en de zon precies op zijn gezicht. De vrouw las een boek. Dat kán dus.

Gorgeltje

Weer terug in Den Haag vervolg ik mijn dagelijkse waarnemingen. Bij een benzinepomp staat een vrachtwagen met het uiterlijk van een pakje Mascotte-vloeitjes. Ik stel me voor hoe hij eruit ziet tussen alle egale auto’s op de snelweg. In een Bruna in mijn wijk raakt een jongetje gebiologeerd door het boek ‘De Gorgels’ van Jochem Myjer en vraagt aan zijn moeder of hij die mag hebben. “Wat moet je met een boek?” antwoordt zij. “Je leest nooit.”

Soms begint het leven al onhandig en moet je hard knokken om er te komen. Soms eindigt het onhandig en dan heb je natte voeten. Ondertussen kan je proberen om er iets van te maken.

 

 

 

Neerslag van gedachten

IMG_3782 (2)

Het was zomer. Helemaal verdiept in mijn boek zat ik in de trein naar het zuiden des lands. Pas over een paar uur hoefde ik uit te stappen. Vanaf Den Haag HS was gaandeweg de hele coupé volgeraakt met mensen, maar met mijn muziek sloot ik me overal voor af. Zowel bruine, groene als gele maïsvelden kwamen voorbij mijn oog, met troepen kraaien erin. Het licht ging uit. Ik keek om me heen. Ik was in Breda. De trein was leeg. Er werd omgeroepen dat hij zou worden afgekoppeld. “Waar zou een afgekoppelde trein heen gaan?”, dacht ik, en maakte me voorstellingen van mij in mijn eentje in de afgekoppelde trein, die het hele land doorreed, langs allerlei mooie bossen en velden. Toen snelde ik toch maar naar buiten. Op het perron waren veel mensen. Na uren tevergeefs wachten werden we naar bussen geleid. Een meisje droeg een groen nummerbord. Waarvoor dient een groen nummerbord? Na de bussen mochten we weer een trein in. We waren inmiddels in Limburg. Een vrouw las een boek waar ‘Het herdersleven’ op stond. Een andere vrouw schreeuwde in dialect iets tegen haar man aan de telefoon: “Niet te geleuven. Van Eindhoven moesten we eroet!” De zon stond nu hoger en de maïsvelden waren lichtgroen gloeiend geworden. Roofvogels vlogen eroverheen en huizen staken nog net met hun topjes erbovenuit. Ik kwam aan in Maastricht en had het gevoel een wereldreis afgelegd te hebben.

Ik schreef lang niet. Mijn vorige blog is van bijna een jaar geleden. Soms lukt het niet om me te focussen, door onzekerheden in mijn leven. Nu, na veel veranderingen, voel ik me weer wat beter in mijn ritme. Toch kom ik de laatste tijd enkel tot het opschrijven van fragmenten en gedachten, maar dat is misschien beter dan niks.

Hoe zou het zijn om een tentoonstelling over regen en andere neerslag bij te wonen? Ik stel me een museum voor waarbij de zalen in tweeën zijn verdeeld en waarbij je ofwel onder een overkapping naar het geluid van de verschillende soorten regen, hagel en sneeuw kunt luisteren, ofwel ervoor kunt kiezen om de weersgesteldheden daadwerkelijk te ondergaan. Je voelt dan hoe de motregen je gezicht aait, hoe stortregen op je hoofd klettert, hoe de wind de sneeuw tegen je wangen striemt. Achteraf mag je je afdrogen. Het zou een soort totaalervaring zijn, met af en toe tussendoor een warme tropische neerslag om bij te komen.

Dat zijn zo van die gedachten die ik af en toe heb, maar die eigenlijk nergens aan gerelateerd zijn. Ze woelen wat rond in mijn hoofd. Om de vele gedachten in mijn hoofd ietwat tot rust te brengen, heb ik mijn avondwandelingen hervat. Op de route van mijn dagelijkse wandeling is een bejaardentehuis en aangezien daar nu eenmaal doorgaans vrij oude mensen bivakkeren, gaat er ook af en toe eentje dood. Regelmatig zie ik een ambulance op de oprit staan en laatst stond er zelfs een lijkwagen. Ik was best onder de indruk van deze ceremoniële verschijning. De lijkwagen had twee zwarte vlaggetjes op de punten van de kofferbak. Daartussen lag een donkerrood laken met twee crèmewitte rozen erop. Uit de wagen kwamen twee nette mannen in pakken, die het laken eerst nog even goed schikten en daarna het bejaardentehuis rustig binnentraden. Ik bedacht me dat je in dit land tenminste netjes begeleid werd na je dood, en dat je niet hoefde te sterven in een wanordelijke chaos, zoals die nu op veel plekken op onze wereld heerst.

Mede door het marktdenken hebben veel mensen momenteel onzekerheden in hun leven, op allerlei gebieden. Dit geeft spanningen en bederft soms de sfeer, op scholen, op de werkvloer en in de hele maatschappij. Je vraagt je af of mensen minder vriendelijk en tolerant voor elkaar zijn geworden. Toch zijn er soms ook verrassingen. Na een lezing in het noorden des lands liep ik in de stromende regen naar mijn OV-fiets. Iemand bleek mijn fiets een soort van schaak-mat gezet te hebben, door zijn ketting zo vast te maken dat ik er met geen mogelijkheid meer uit kon, alleen door vreselijk veel kracht te zetten. Vertwijfeld keek ik om me heen en zag alleen maar regen. Uit de regen doemden drie schooljongens van een jaar of 16 op. Ik vroeg of ze me misschien wilden helpen. Ze moesten eigenlijk hun bus halen, maar zagen mijn onmogelijke situatie en besloten de bus te missen en een half uur later te vertrekken. Met zijn vieren slaagden we er na een kwartier in om de fiets te bevrijden, allemaal geheel nat en geheel blij!

Zo zijn er toch altijd dingen om je over te verheugen. Op een groot containerschip bij Almere zag ik vanuit de trein kinderen schommelen op het voordek. Thuis zag ik een Afghaans uitziende vader vliegeren met zijn jonge kinderen. De vlieger was een antropomorf wezen met een lange staart, die vrolijk door de lucht zwierde. Ik zag een bestelwagen rijden waarop stond ‘Hondenschool het Kwispelcollege’. Ik beeldde me een zaal in op de universiteit, waar allemaal honden in zaten, rechtop typend op een iPad met hun kussentjes. Zo blijf ik observeren en zie een wereld van lelijkheden en vrolijkheden.

IMG_4372

De moderne wereld

oude man

Enkele maanden geleden zat ik in de trein naar Groningen geboeid te lezen in ‘De wereld van gisteren’ (1944) van Stefan Zweig. Dit boek gaat over een man uit Wenen (Zweig zelf), die twee wereldoorlogen meemaakt en een maatschappij met vrij reizende wereldburgers ziet veranderen in een bekrompen gebied, waarin vrijheden (zowel fysiek als geestelijk) steeds verder worden ingeperkt. Hij ziet hoe dit ertoe leidt dat vertrouwen tussen mensen, langzaam vervangen wordt door wantrouwen. Met deze gedachten is het een boek dat zijn tentakels zowel naar het verleden als naar de toekomst uitstrekt en op veel punten verrassend actueel lijkt. De beschrijving die Zweig geeft van het leven in ballingschap en de psychische immoraliteit die hij om zich heen ziet, roept veel parallellen op met de huidige migrantenproblematiek. Maar het boek is naast confronterend, ook prachtig. Zweig beschrijft in een weergaloos mooie stijl de mensen die hij ontmoet, beroemde tijdgenoten zoals Rainer Maria Rilke, en weet van ieder die hij beschrijft diens kwetsbaarheid te typeren, op zo’n manier dat je iedereen voor je ziet bewegen. Als weldenkend mens probeert Zweig zich te blijven verhouden tot een waanzinnig geworden wereld en tot het einde toe blijft hij doorwerken en moois schrijven, wat bewonderenswaardig is. In 1942 was de maat voor hem vol en pleegde hij samen met zijn vrouw zelfmoord in Brazilië. Toch was hij dankbaar voor alle mooie momenten die het leven hem had gegeven.

Halverwege het lezen, werden mijn gedachten verstoord door een meisje dat luid bellend de coupé in kwam. “Nee. Nee. Ik ben niks aan het doen, daarom belde ik jou. Ik ben aan het reizen in de trein.” Het respect voor andere mensen lijkt de laatste jaren zeer af te nemen en iedereen lijkt met zoveel mogelijk lawaai een plekje in de wereld te willen innemen. Ik zette mijn muziek harder en las door. Wat een wonder dat er mensen waren die dit soort boeken schreven, en die nog 74 jaar na dato tegen je lijken te praten en je inzichten geven in de soms verwarrende wereld.

Wat gebeurt er toch allemaal om ons heen? Overal brandhaarden, aanslagen, onbegrip, vijandigheid, intolerantie. Maar ook de directe wereld om ons heen in de stad verandert heel langzaam, maar toch duidelijk. Ik wandelde in een groot park in Delft en hoorde een zwaar gezoem. Het was een drone. De drone wandelde met mij mee. Ik wilde de drone niet, maar de drone was er toch. Een man was met hem aan het oefenen.

Tijdens andere wandelingen in de Haagse stad zie ik in plaats van aanplakbiljetten, opeens iPads voor ramen hangen, waarop reclame wordt gemaakt voor schoonheidsbehandelingen en andere zaken. Alles beweegt en is druk. Ik was maar wat blij toen ik laatst nog een ouderwetse poster zag hangen, waarop 55+’ers werden aangespoord om zich aan te sluiten bij de vereniging Senioren Fit, om aldaar spierversterkende oefeningen te doen en zichzelf te vermaken met diverse bal- en tikspellen. Het bijbehorende plaatje was werkelijk hilarisch en ik zag mijn ouders zich nog niet snel hierbij aansluiten.

poster

En dan het nieuwste: op straat speelt een jongetje van een jaar of tien Pokémon Go om een uur of negen in de avond. Terwijl hij ingespannen naar zijn scherm tuurt, zie ik zijn ouders lachend en gearmd een paar meter achter hem lopen, om hem in de gaten te houden. In plaats van de hond, worden tegenwoordig dus de ouders uitgelaten.

Dagelijks zie ik de wereld veranderen, maar sommige beelden blijven tijdloos. Terwijl ik aan het begin van de lente in een lange straat liep in Leiden, zag ik voor mij een oud mannetje voortgaan. Hij liep gebogen en had zijn handen op zijn rug, alsof hij aan het schaatsen was. In zijn handen bungelde een grote bos sleutels. Hij ging heel langzaam vooruit en liep ‘platvoets’, wikkelde zijn stappen niet meer mooi af. Misschien is dat wat symbool staat voor de laatste jaren van een leven. Dat er geen perfectie meer is, geen finesse, dat alles houterig lijkt te gaan, maar dat je desondanks nog vooruit komt en ergens thuiskomt met veel sleutels, dankbaar voor het leven.

In wat voor wereld komen wij later thuis?

Laat het er eentje zijn met aandacht voor de medemens en voor de bijzonderheden en verworvenheden van de wereld.

De ijscoman, en andere wandelimpressies

IMG_9315

 

IMG_9019

Terwijl ik door de vruchtenbuurt liep op een vroege lentedag in maart, toen het ’s morgens nog vroor, kwam er een ijscoman aanrijden met een grote witte bestelbus. Deze man noemde zich geen ijscoman, zoals in mijn jeugd, maar ‘ijsman’ en op zijn wagen stond dat hij ‘heerlijke verse schepijs’ had. Bij een ijsman beeldde ik mij allerlei dingen in, van de verschrikkelijke sneeuwman tot Ötzi de ijsmummie. Wie er ook achter deze ijsman in de grote bus verscholen zat; het werkte. Hij rinkelde met een klassiek belletje en een minuut later al kwam er een klein meisje met een groene capuchonjas aanrennen op haar slippertjes, met in haar hand een klein stoffen portemonneetje. Fijn dat er toch nog wat vertrouwen is in deze wereld.

Mensen zijn er goed in om concepten te verzinnen die zouden passen bij bepaalde situaties. In het bejaardentehuis vlak bij mijn huis heeft men bedacht dat er vier categorieën versieringen per jaar moeten zijn, elk kwartaal eentje. Na drie maanden tegen stekelige sneeuwpoppen aangekeken te hebben, mogen de bejaarden sinds een week vrolijk lachende paashazen tegemoet zien, met een al even stekelig en verre van zacht uiterlijk. Nog drie maanden zullen deze hazen mij met hun geniepige oogjes volgen tijdens mijn nachtelijke wandelingen, en af en toe omkukelen uit nieuwsgierigheid naar zo’n jong mens.

Ik loop in de duinen. De zon schijnt fel en het hagelt op me neer. Die twee dingen kunnen tegelijk, schijnbaar. Veel dingen die onverenigbaar lijken te zijn, kunnen tegelijkertijd plaatsvinden. Je kunt door dezelfde oorzaak hoopvol en wanhopig over iets zijn. Je kunt van een persoon houden en hem naar de maan wensen. Je kunt je laten betoveren door subtiele details in de wereld en teleurgesteld zijn door dingen die zich net daarnaast bevinden. Je kunt je afvragen of er nog oplossingen bestaan, en toch stap voor stap verder gaan. Afgelopen week zag ik zachte wilgenkatjes zomaar opeens uit harde takken komen. De toekomst lijkt soms beangstigend of onzeker en de wereld ontspoord, maar elke dag probeer ik me te blijven verwonderen en hoop ik dat zoveel mogelijk andere mensen ook deze kans krijgen.

Progressie

Terwijl de tram in mijn nieuwe stad de hoek om draait, valt mijn oog op een blauw naambordje uit een stad waar ik ooit woonde. De gelijknamige straat is opeens vol in mijn herinnering. De voetstappen die ik er zette in de diepe sneeuw, de gesprekken die ik er voerde. Ik ben toevallig net op weg naar die stad. In het grote natuurgebied, waar de trein tegenwoordig langskomt, staan hoge uitgedroogde grassen, van waaruit ruggen en hoofden van paarden opdoemen, en bronsbruine runderen.

In de trein zit een vrouw van naar het lijkt Surinaamse afkomst, die helemaal in zichzelf tevreden voor zich uit kijkt, urenlang. Daar heb ik veel bewondering voor. Die totale rust, zonder behoefte aan digitale geneugten, papieren genoegens, of telefoongesprekken waarin ze haar hele privéleven met de rest van de trein deelt. Ze voert misschien een gesprek met zichzelf. Oude mensen kunnen ook wel eens op deze manier in de trein zitten.

Naast mij zit een vrouw van in de twintig met een langwerpige drinkbeker, waaruit ze een bruinroze ontbijtdrank drinkt en die rondom gedecoreerd is met foto’s van haar jonge baby, die mij in viervoud aankijkt.

Ietsje verderop in de coupé laat een nette man in een broek met langwerpige streepjes iets vallen. Als hij bukt om het te pakken, komt zijn bilnaad tevoorschijn. De man heeft niets door. Hij heeft misschien nog nooit aan zijn bilnaad gedacht.

Ik kom aan in mijn oude stad.

Ik maak al progressie. Ik heb nu meestal mijn OV chipkaart in de hand als ik uit een voertuig of station stap, wat niet wil zeggen dat ik er ook daadwerkelijk mee uitcheck. Vertwijfeld wapper ik het ding heen en weer en ga mijn laatste bewegingen na.

De stad verwelkomt me met zijn bekende gebouwen en torens. De kale bomen zitten vol kraaien, die in groepjes kwetterend neerstrijken. Ik loop langs de gele gevels en voel een totale stilte en rust.

‘Stilte is een onderschatte levensvoorwaarde’, schreef Joost Zwagerman bij zijn laatste tentoonstelling.

‘Wanneer ervaar jij stilte?’, was de vraag aan de bezoekers. De antwoorden varieerden van Canto ostinato en Bach tot het zijn met een hele goede vriend. Ik dacht aan lezen in de nacht en aan het strand in mijn nieuwe stad en hoe ik daar wandelde, drijvend op storm, regen en hagel. Een woeste stilte.

Vreemde wezens, vrolijke puttertjes en de vluchtigheid van rijp

Puttertjes

puttertjes in de hagel

vreemde wezens in de wei

vreemde wezens in de wei

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik nam eens een andere route. Niet over de grachten, maar langs het water de stad uit. En gelijk stuitte ik op allerlei wonderlijke taferelen. Nog in de stad zag ik twee mensen een soort kleine witte bontgevallen voortslepen. Verbouwereerd bleef ik staan kijken. Het waren beestjes die duidelijk geen zin hadden om te lopen en ik hield het op hermelijnen. Na wat googelen thuis bleken het fretten te zijn. Een stukje verderop zag ik in een weiland twee enorme wezens staan, waarvan ik me afvroeg of het nu honden of paarden waren. Toen ik naar ze toeliep keken ze verwachtingsvol op in de verte. Net als ik leken ook zij te inspecteren of ik was wat zij dachten dat ik was. Uiteindelijk kwamen ze naar me toe en staken hun koppen door het hek. Hoewel hun bek zes keer zo groot was als mijn hand aaide ik ze toch. Ze hadden slijmerige, maar zachte neuzen.

De rest van de dagen wandelde ik weer over de grachten. Op een avond zag ik voor een wit gordijn en witte poes zitten. De kamer was donkergeel verlicht en het licht scheen door de gordijnen heen, maar natuurlijk niet door de poes. In de woonkamer van een prachtig oud grachtenpand zag ik een overheadprojector staan. Het bleek een bijeenkomst te zijn van de christelijke studentenvereniging Ichthus. Op het witte scherm van de powerpointpresentatie stond één zin met daarbij een verklarend icoontje: ‘bidden in groepjes’. De studenten liepen net uiteen. In het inmiddels bekende ZZP’er-pand waren de mij al vertrouwde laptops nu opeens verwisseld voor grote schermen en iMacs. Is de laptop nu dus uit de mode?

structuren van rijp

structuren van rijp

In het grote park, waar ik vorig jaar lente nog de reigers hoorde roepen vanuit hun nesten en een fazant een liefdesdans deed, werk ik nu zelf als vrijwilliger. Dat is weer een hele andere ervaring. In plaats van de vreugdesteek bij het vluchtig zien van een verscholen fazant, heb ik nu zelfs een fazantenvriendje, die ik van zijn soortgenoten kan onderscheiden en die soms nieuwsgierig komt kijken terwijl ik mest ruim op het erfje. Net als veel roodborstjes en Turkse tortels. In de herfst, toen de dagen nog warm waren en de zon fel scheen, ontsnapte er ’s ochtends damp aan de vochtige houten hekken, een prachtig gezicht. Nu in de winter is er in de vroege morgen mist, ijs en rijp (ik wist niet dat bevroren spinnendraden zo mysterieus konden ogen!), terwijl dit alles ’s middags vaak alweer verdwenen is. Nadat er hagelkorrels waren gevallen, kwam er een vrolijk groepje van wel twaalf puttertjes naar het pad om, naar het leek, de smeltende korrels op te likken. Net voordat ze wegvlogen kon mijn lens ze nog vagelijk beroeren. Zouden zij ook van ijsklontjes houden, zoals veel mensen?

Telkens als ik weer in het park kom, rennen de schapen op me af en denderen overal mekkerend achter me aan, ervan uitgaand dat ik ze eeuwig snoepvoer geef. Wat fijn die vrolijkheid! Sneeuw, hagel, het maakt ze niets uit. Misschien zijn ze al met hun gedachten bij de lente, als hun lammetjes komen. Bijzonder om dat een keer mee te maken. Met al deze wintervrolijkheid voel ik mijn energie en stabiliteit groeien en voel ik enorme zin in alles wat er op me af gaat komen de komende maanden.

verliefd

verliefd

Turkse tortel

Turkse tortel